|
Het was een zondagmiddag zo druilerig als alleen Ierse
zondagmiddagen dat kunnen zijn. De motregen zweefde door de
straten, nog net geen mist, maar fijn genoeg om iedereen tot
in de diepste poriën te doorweken. Twee verkleumde
Japanse toeristen stonden op de hoek van de straat met hun
gescheurde, doorweekte stadskaart te stuntelen.
In de pub was het gelukkig warm. Daar gloeide een
turfvuurtje in een open haard onder een ouderwetse schouw
waarop een oude klok al sinds een jaar of vijf 10 over 7
aanwees. Op de bank naast de open haard zaten twee vrouwen
de laatste roddels uit te wisselen over een half pint
Smithwick's. Aan de bar zaten twee zwaargebouwde kerels van
het type bouwvakker lusteloos naar een geluidloze
hurlingwedstrijd op televisie te kijken, net als de barkeeper,
een puistige tiener met rode krullen en sproeten.
Aan het eind van de bar, bijna onzichtbaar, zat een oud
mannetje voorovergebogen in zichzelf te praten. In een hoek
van de pub zaten vijf muzikanten.
En dit waren niet zomaar muzikanten, nee nee. Dit waren
de hoeders van de Ierse muzikale traditie, de paladijnen van
het heilige Keltische vuur. Zij speelden hun muziek met
toewijding en passie, zich bewust van de loodzware taak die
op hun schouders rustte. En als zij niet speelden, hadden ze
discussies die hoog op konden lopen. Op dit moment probeerde
Jelle, de gitarist, Raoul, die trekharmonica speelde, ervan
te overtuigen dat hij zijn bassen niet hoorde te gebruiken in
Ierse traditionele muziek.
"Its djust not tradisjonal. If joe plee de kords en de
beeses, it dos nat fit de kords oi plee an de kitar."
"Ai doe not zie waai ai kennot plee ze beeses", protesteerde
Raoul, "Zjerun Zjennun daz zet ol zie taaim!"
"Dets waai oi heet Sjerrun Sjennun! Sjie plees toerist
mjoesik, not de riel stuf."
"Bat joe doont plee tradisjonal aideh!" Het was Günther,
de violist. Günther vond dat Jelle zijn gitaar in de
traditionele DADGAD-stemming moest stemmen. "Joe doont ieven
plee in detket!"
"Bat woi sjoed oi?" Jelle had zijn Ierse accent goed geoefend.
"A lottof kitarrists daunt plee detket. Teek Ronnie Droe voor
eksampel..."
"Ronnie Droe!" riepen Raoul en Günther in koor.
"Spieking of toerist mjoesik!"
Ondertussen bespraken Jan-Willem (bodhrán) en Justus
(uillean pipes) de toestand in Noord-Ierland. Ze waren blij
voor een paar weken het nieuws op de voet te kunnen volgen,
al was Jan-Willem het niet met Justus eens dat The Irish
Times een goede nieuwsbron was. Als rechtgeaard socialist -
in Nederland zat hij in de gemeenteraad voor de SP - vond
hij An Poblacht ver te verkiezen boven de kapitalistische
pers.
Op dat moment zwaaide de deur van de pub open en waaide
een kille vochtige wind door de pub. Een drijfnatte figuur
met de capuchon over de ogen en een grote witte kast op zijn
rug struikelde de pub in. Toen hij zijn evenwicht weer had
gevonden, veegde hij de capuchon achterover. Een rond gezicht
met een wilde rode baard kwam tevoorschijn. De man keek de
kroeg rond. Hij knipperde een paar keer met zijn ogen om de
regen uit zijn wimpers te krijgen. Toen hij de muzikanten
ontwaarde, liep hij naar ze toe en vroeg: "Mind if I join yis?"
Jan-Willem rook al onraad en vroeg: "Wat doe joe plee?"
"I play the hurdy-gurdy. Look..." En hij nam de grote witte
kist van zijn rug, legde deze op tafel en opende hem. In de
kist lag een ingewikkeld uitziend apparaat, met een lier aan
de ene kant en een aantal stemsleutels aan de andere. Op de
zijkant van het apparaat zat een rij knopjes.
"Mijn God, een draailier..." mompelde Jan-Willem. Van de
andere muzikanten klonk een afkeurend gemompel.
"Out of de kwestjun," zei Jan-Willem. "Dis is a tradisjonal
Oirisj sesjun."
"But I've been playing this thing for ages! I even tuned the
drone strings in G and D!"
"Ai deunt ker," mengde Raoul zich in de discussie, "iet ies
ze rong inztrument."
"Baai jerself a fiddel, den wiel sie," zei Jelle.
"Wait a minute here!" zei de draailierspeler. "Where are yis
from?"
De Paladijnen Van Het Keltische Muzikale Erfgoed keken elkaar
een beetje betrapt aan.
"Well?" drong de draailierspeler aan.
"F-France," zei Raoul.
"Holland," zei Jan-Willem.
"Germany," zeiden Günther en Justus.
"Doblin," zei Jelle trots. Raoul, Jan-Willem, Günther en
Justus keken hem ongelovig aan.
"Forget it," zei de draailierspeler. "Holland seems a better
guess to me."
"No wee!" protesteerde Jelle. "Ai lif in Doblin!"
"But you're born in Holland, right?"
Dat maakte Jelle zo mogelijk nog kwader. "No! Aim born in
FRIESLAND!"
"WHATEVER!" schreeuwde de draailierspeler. De pub was ineens
muisstil. De twee dames bij het haardvuur, de twee bouwvakkers
aan de bar en de barkeeper keken verwonderd zijn kant op
terwijl hij woedend zijn draailierkoffer dichtsloeg en op
zijn rug zwaaide. "I see we have one Frenchman, two Dutchmen
and two Germans, telling ME, the only Irishman in the company,
to feck off because I'm not Irish enough! Well folks, you can
have your little Irish session and SHOVE IT!" En hij stampte
naar de deur, verontschuldigde zich tegen de twee dames -
"Sorry 'bout that, ladies" - en sloeg de deur hard achter
zich dicht.
Het was ijzig stil in de pub. De twee dames bij het
haardvuur, de twee bouwvakkers en de barkeeper keken
verschrikt van de deur naar Raoul, Jan-Willem, Günther
en Justus, die op hun beurt met open mond naar Jelle keken.
Alle vijf muzikanten hadden het gevoel alsof hun keel zat
dichtgeschroefd.
Aan het eind van de bar begon een zacht gegrinnik,
dat al snel aanzwol tot een
hysterische schaterlach en zelfs niet ophield toen het oude
mannetje krijsend van plezier van zijn kruk was gevallen.
30 maart 2003
|